Praten over de dood (column)

Sofie en ik zaten samen na de lunch aan tafel. Ze keek dromerig naar buiten: de ezel van de kinderboerderij aan de overkant is er al een tijdje niet meer, maar het blijft voor haar een interessant onderwerp. ‘Wat gebeurt er met je als je dood bent?’ vroeg ze.

Ik voelde me geraakt door haar vraag en proefde een haast heilige sfeer gemengd met frisse kleuterachtige rationele waaroms.

‘Je gaat dan weer terug naar waar je vandaan kwam voordat je hier kwam als baby.’ probeerde ik mijn beeld erbij zo eenvoudig mogelijk te vertellen. ‘Je bent dan nog steeds jezelf, maar hebt geen lichaam meer.’ Daar kon ze wel wat mee, maakte ik op uit haar blik. Niet verbaasd, niet bang, eerder nieuwsgierig.

‘Maar wat gebeurt er’, vroeg ze serieus, ‘als jullie allebei doodgaan?’ 

‘En zie ik jou dan nog wel?’ vroeg ze. ‘Ja’, zei ik, ‘maar we kunnen elkaar niet meer aanraken zoals we dat nu kunnen. Je kunt dan misschien wel door een muur lopen, net zoals in het boek over Erik en zijn opa dat we laatst lazen.’ ‘Huh, dat is gek,’ zei ze een beetje schuddend.

We hadden laatst een boek uit de bibliotheek dat vertelde over de jongen Erik wiens opa was overleden. ’s Nachts kwam opa de jongen opzoeken en liep daarbij door de muren heen. De jongen was er enthousiast over dat opa nu een geest was, omdat hij een boek over geesten had. Opa zelf moest nog even wennen en kwam die week elke nacht bij de jongen op bezoek omdat hij dacht iets vergeten te zijn. Totdat hij besefte wat: hij had geen kans gehad afscheid te nemen van zijn kleinzoon.

Sofie ging verder: ‘Ik vind het niet leuk als je doodgaat’. ‘Nee, dat lijkt me ook niets’, zei ik, ‘Ik blijf graag nog heel lang hier bij jullie’. ‘Maar wat gebeurt er’, vroeg ze serieus, ‘als jullie allebei doodgaan?’ Mijn hart sloeg een slag over. Ik moest er niet aan denken en toch hadden we het er nu over.

‘Dan gaan jij en Simon bij Emile en Angela wonen’, zei ik (want dat hebben we zo geregeld met goede vrienden). ‘Echt waar?!’ riep Sofie enthousiast. ‘Echt waar?!’ ’Ja, echt waar. Als wij doodgaan, zorgen zij voor jullie.’ Ondanks het onderwerp glunderde Sofie bij het idee. ‘Ga ik dan echt bij hun thuis wonen, samen met Sam en Wieb?’

‘Ja, echt waar,’ herhaalde ik. Haar blik veranderde ineens van blij naar verdrietig: ‘Maar dan zal ik jullie wel heel erg missen.’

Geraakt door de openheid vertelde ik dat ik haar ook heel erg zou missen. De gedachte alleen al maakte mijn maag in de knoop en ik was blij met haar frisse nieuwsgierigheid, die mij hielp de gedachte eraan op een lichte manier te benaderen.

Het gesprek was klaar. Ze ging van tafel of om iets anders te doen. Blijkbaar tevreden gesteld.

*

Deze column schreef ik voor Kiind Magazine

 
Jouw mening of vragen? Laat je reactie achter. Je krijgt altijd antwoord.